Twee weken geleden is er bij ons thuis ingebroken.
In mijn LinkedIn-post deelde ik al wat dat met me heeft gedaan. Niet alleen de schrik van de inbraak zelf, maar ook het besef hoeveel verschillende lagen zo’n gebeurtenis kan raken.
Wat me vooral opviel, was hoe snel mijn hoofd alweer verder wilde.
We zijn veilig.
Er is niemand gewond geraakt.
De praktische zaken zijn geregeld.
Het zijn uiteindelijk maar spullen.
Allemaal waar.
En toch voelde mijn lijf iets anders.
Je kunt iets begrijpen en het toch nog voelen
Ons hoofd is vaak razendsnel.
Het relativeert.
Zoekt verklaringen.
Wil oplossingen.
En concludeert vervolgens dat we weer verder kunnen.
Maar je lijf volgt niet altijd in hetzelfde tempo.
Je kunt rationeel weten dat je veilig bent en toch schrikken van een geluid.
Je kunt weten dat iets voorbij is en toch alert blijven.
Je kunt denken dat het wel weer gaat en ineens merken dat iets kleins je harder raakt dan je had verwacht.
Dat betekent niet meteen dat er iets groots aan de hand is.
Misschien betekent het alleen dat er in jou nog iets aandacht nodig heeft.
Waarom we zo snel over onszelf heen stappen
Ik denk dat veel mensen dit herkennen.
We hebben geleerd om sterk te zijn. Om door te gaan. Om te relativeren.
“Het valt wel mee.”
“Anderen maken veel ergere dingen mee.”
“Ik moet er niet zo in blijven hangen.”
“Kom, door.”
En relativeren kan heel helpend zijn.
Maar er zit voor mij een belangrijk verschil tussen relativeren omdat je werkelijk voelt: het is oké…
en relativeren om niet te hoeven voelen wat iets met je heeft gedaan.
In dat laatste geval stap je eigenlijk over jezelf heen.
Soms raakt het meer dan alleen wat er nu gebeurt
Wat er gebeurt, raakt bovendien niet altijd alleen aan het moment zelf.
Soms wordt er iets ouds aangeraakt.
Een gevoel van onveiligheid.
Controle verliezen.
Er alleen voor staan.
Niet gezien worden.
Bang zijn.
Dat betekent niet dat je eindeloos in het verleden hoeft te graven.
Maar het kan wel verklaren waarom iets je meer doet dan je hoofd logisch vindt.
En misschien hoeven we onszelf dan niet af te vragen:
Waarom reageer ik hier zo op?
Maar eerder:
Wat wordt er in mij geraakt?
Jezelf serieus nemen
Voor mij begon dat deze keer met erkennen dat de inbraak meer met me had gedaan dan ik in eerste instantie wilde toegeven.
Niet groter maken.
Niet kleiner maken.
Gewoon serieus nemen wat er was.
Ik heb hulp ingeroepen om mijn lijf te helpen de schrik los te laten en mijn gevoel van veiligheid en vertrouwen weer terug te krijgen.
En misschien is dát wel een vorm van zelfzorg waar we het minder vaak over hebben.
Zelfzorg is niet alleen rust nemen, wandelen, mediteren of iets fijns voor jezelf doen.
Het is ook jezelf geloven wanneer je voelt dat iets je geraakt heeft.
Niet wachten tot je hoofd vindt dat je reactie gerechtvaardigd is.
Wat heb jij nu nodig?
Je hoeft daarvoor niet altijd meteen iets groots te doen.
Je kunt beginnen met even stoppen en jezelf een paar vragen stellen:
Wat voel ik eigenlijk als ik het niet meteen probeer op te lossen?
Waar merk ik dat in mijn lijf?
Wat heb ik nu nodig?
Kan ik mezelf geven wat ik nodig heb, of heb ik iemand anders nodig?
Misschien is dat rust.
Een wandeling.
Erover praten.
Huilen.
Bewegen.
Even niets hoeven.
En soms is het hulp vragen.
Je hoeft niet meteen verder
Niet alles wat je raakt hoeft opgelost te worden.
Niet ieder gevoel hoeft geanalyseerd te worden.
En je hoeft ook niet eindeloos stil te blijven staan bij wat er gebeurd is.
Maar wat geraakt wordt, verdient het wel om gezien te worden.
Misschien is dat wat ik de afgelopen jaren steeds beter heb geleerd:
Niet te snel over mezelf heen stappen omdat mijn hoofd alweer verder wil.
Maar achter mezelf blijven staan in wat er op dat moment werkelijk is.
Je hoofd kan allang besloten hebben dat het tijd is om verder te gaan.
Je lijf heeft soms gewoon wat langer nodig.
En dat mag.